‘Mijn zus kroop dagelijks onder het prikkeldraad door om vioolles te krijgen’

Ik ben een dochter van Wim en Hetty Wertheim-Gijse Weenink, die in Revolusi worden geciteerd en aangehaald. Graag vul ik hun verhaal aan met mijn herinneringen uit de Japanse tijd.

Mijn vader schreef over de drie groepen die de Japanners speciaal in het oog hielden: vrijmetselaars, joden en prominenten, tot de laatsten hoorde hijzelf. (De combinatie van joden en vrijmetselaars toont aan hoezeer de Japanse ideologie geïnfecteerd was door die van de nazi’s). In 1943 kregen de kampcommandanten in West-Java van Mitsuo Murase, de legercommandant over dat gebied, de order iedereen te registreren die ook maar één druppel joods bloed had. In ons kamp Kramat had dat tot gevolg dat wij, de drie half-joodse kinderen (8, 10 en 11 jaar oud) van onze joodse vader en niet-joodse moeder naar het kamp Tangerang moesten. Wekenlang bleef ongewis of onze moeder mee mocht of in Kramat zou moeten achterblijven. Tot zij bedacht dat ze met ons mee zou kunnen door zichzelf, in strijd met de waarheid, als joods op te geven. In Tangerang (en ook in Adek, waar we een paar maanden later met het hele kamp naartoe verhuisden) bleken naast de ongeveer 1000 joodse vrouwen en kinderen ook ongeveer 700 niet-joodse vrouwen en kinderen te zitten, maar wel in verschillende afdelingen. Op onze tocht van Kramat naar Tangerang werden we samengevoegd met de joodse vrouwen en kinderen uit andere vrouwenkampen en ook toen we later op weg naar Adek waren, kwamen er weer joodse vrouwen en kinderen uit andere kampen bij. Zo was mijn vriendinnetje Naomi Hilfmann afkomstig uit Kamp Tjideng en onze tante Gré Melchior-Cahen uit een kamp in Bandung.

Voor zover ik heb kunnen nagaan is het apart zetten van joodse vrouwen en kinderen beperkt gebleven tot West-Java. Wat de joodse mannen betreft, die werden niet naar een apart kamp gestuurd, maar in het kamp van mijn vader was wel een barak (“Tel Aviv’’ genoemd) waarin de joden zaten die zich hadden laten registreren. Dat laatste had mijn vader niet gedaan. Dat had hij samen met drie (ook joodse) vrienden besloten. Mannen, die hun kinderen immers niet bij zich hadden, konden meer risico nemen dan vrouwen die ook verantwoordelijk waren voor hun kinderen. Hun afweging is geweest dat het gevaar dat de Japanners hun joods-zijn zouden ontdekken kleiner was dan het gevaar van een nieuw, onbekend kamp.

Wat betreft Simon Goldberg en zijn vrouw en Lily Kraus en haar man, de beroemde joodse musici die in Revolusi worden opgevoerd, nog het volgende. Wij hebben hen meegemaakt in Kramat waar wij vanaf begin januari 1944 zaten. Lili Kraus en haar man kwamen daar aan op 1 mei 1944 en Goldberg en zijn vrouw op 13 juni 1944. Deze data komen uit het dagboek van mijn moeder, gebaseerd op de piepkleine agendaatjes die zij de hele kampperiode heeft bijgehouden en wanneer we op appèl moesten staan in haar ondergoed verborg. Die dagboeken heb ik hier thuis, maar ze gaan uiteindelijk naar het Vrouwenarchief ATRIA, waar een groot deel van het archief van mijn moeder al naartoe is.

De echtparen zaten daar in een apart gedeelte van het kamp, van ons gescheiden door prikkeldraad. Het hele kamp en dus ook dat gedeelte bestond uit gewone huizen waar je dan wel met heel veel mensen opgepropt zat, maar die echtparen hadden in hun gedeelte eigen kamers. In het Pandhuis dat midden in ons gedeelte stond was toevallig een vleugel blijven staan en daar mocht Lily op spelen en heb ik nog pianoles van haar gehad. Mijn zus Marijke kroop drie maanden lang dagelijks onder het prikkeldraad door om vioolles te krijgen van Simon Goldberg.

Op 4 september 1944 werden de Goldbergs toch gescheiden van elkaar geïnterneerd en later bleek Goldberg naar het mannenkamp te zijn gebracht waar ook mijn vader zat en heeft hij hem kunnen vertellen hoe mooi mijn zusje viool speelde. Mijn vader heeft beschreven hoe Goldberg viool moest spelen voor de Japanse kampcommandant die daarvan foto’s nam voor zijn zoon, die violist wilde worden. Bij een vioolconcours zo’n jaar of tien later ergens in de V.S., moest Goldberg oordelen over die Japanse zoon van de commandant, die toen 23 jaar oud was. Hij won de eerste prijs en was na afloop naar Goldberg toegekomen om hem te bedanken voor zijn lessen. Goldberg had toen verbaasd gereageerd en gezegd dat hij hem nooit les had gegeven en ook niet kende. Daarop kwam dat verhaal te voorschijn over die foto’s die zijn vader in het kamp van de vioolspelende Goldberg had gemaakt. (Dit verhaal staat uitgebreid in de memoires van mijn ouders: Vier wendingen in ons bestaan, Indië verloren, Indonesië geboren. Uitgeverij De Geus, 1991.) Waar mevrouw Goldberg toen heen is gegaan weet ik niet, maar uiteindelijk zat ze – als joodse dus – bij ons in Adek, ze was zelfs zaalhoofd van onze zaal!

 Mijn vader heeft eerst nog in Indonesië zelf en later vanuit Nederland moedig en met gevolgen voor zijn persoonlijk leven, alles gedaan om in te gaan tegen de kortzichtige houding van Nederland die ons al gauw naar een koloniale oorlog dreigde te voeren. Belangrijk was daarbij dat hij zulke goede contacten had met Indonesische intellectuelen die voor de onafhankelijkheid waren. Zelf heb ik meegemaakt hoe mijn vader het op 24 november 1945 aandurfde om in ons huis in Batavia Soetan Sjahrir te ontvangen die toen net premier was geworden van de Republik Indonesia. Zo probeerde hij onderhandelingen op gang te brengen en vooral ook te bereiken dat het geweld van de opstandige jongeren zou stoppen. Bekend was namelijk dat Sjahrir één van de weinige Indonesische staatsmannen was die veel invloed hadden op de jeugd. Wij kinderen moesten tijdens dit bezoek doodstil zijn, want de verhouding tussen de Nederlanders en de Indonesërs was in november 1945 al zó gespannen dat niemand mocht merken dat er een Indonesiër bij ons op bezoek kwam. Hoe dit bezoek verliep beschrijf ik uitgebreid op de pagina’s 134 -165 van mijn net uitgekomen boek: De poster met de blauwe ogen, getuigenissen tegen rassenwaan (https://www.starfishbooks.org/anne-ruth-wertheim-de-poster-met-de-blauwe-ogen/).

Anne-Ruth Wertheim

Artikelen over de japanse tijd (1942-1945)

Oproep

Ik ben in het bezit van een aantal brieven van…

Verhalen
Lees meer